Toerental-/ krukaspositiesensor:


Op deze pagina worden de volgende onderdelen beschreven:
-Werking
-Signalen meten met de oscilloscoop

 

Werking:
De krukaspositiesensor (ook wel de BDP-senor genoemd) zit onderop het motorblok bevestigd ter hoogte van het vliegwiel. De krukaspositiesensor geeft bij elke tand van de tandkrans een puls af. De snelheid waarmee deze pulsen elkaar opvolgen is een indicatie voor het toerental. Door één ontbrekende of één hele brede tand aan de krukas wordt er door de sensor een ander signaal afgegeven. Dit signaal geeft het motorregelapparaat informatie over de stand van de krukas t.o.v. het BDP (bovenste dode punt). Het motorregelapparaat / ECU bepaalt hier o.a. het ontstekingstijdstip mee. Ook de toerenteller wordt door deze sensor aangestuurd.
Wanneer de krukaspositiesensor defect is, krijgt de ECU geen toerentalsignaal van de krukas meer binnen. De motor zal dan tijdens het starten niet meer aanslaan. Dit is vaak te herkennen aan de toerenteller die op 0 omw./min. blijft staan tijdens het starten.



In de onderstaande afbeelding zijn de magnetische veldlijnen te zien die ontstaan wanneer een tand van de krukas langs de magneet van de krukaspositiesensor beweegt.

         

In de onderstaande afbeelding is het krukassignaal te zien. Bij elke missende tand op de krukas is een ruimte en een verhoogde amplitude van het signaal te zien. Dit punt is voor de ECU een teken dat de motor op dat moment in het BDP staat. Vandaar de naam "BDP-sensor".




Signalen meten met de oscilloscoop:
Het krukassignaal kan ook ten opzichten van het nokkenassignaal weergeven worden. Met behulp van deze signalen kan bepaald worden of de timing van de distributie nog in orde is, of dat het nokkenassignaal bijvoorbeeld achterloopt op het krukassignaal vanwege een uitgerekte distributieketting. Een meting van het krukassignaal ten opzichten van het nokkenassignaal is in het onderstaande scoopbeeld te zien. Hierbij is de rode lijn van de krukas en de gele van de nokkenas. De referentiepunten van de krukas en nokkenas kunnen met de fabrieksgegevens vergeleken worden.


(Afb. signalen van een Honda Civic)

Het bovenstaande krukassignaal is van een hallsensor. Een auto kan ook uitgerust zijn met een inductieve sensor. Een voorbeeld hiervan is in de onderstaande afbeelding te zien. Bij een inductieve sensor wordt de amplitude van het (rode) signaal groter bij toenemend toerental. Ook in dit signaal is de missende tand te zien. De gele lijn (afkomstig van de nokkenassensor) geeft na elk tweede krukassignaal een puls door. Ook deze signalen kunnen weer met elkaar vergeleken worden.


(Afb. signalen van een Hyundai Getz)

De referentiepunten van de krukas en nokkenas liggen nu niet lijnrecht onder elkaar maar iets van elkaar af. Dat wil niet zeggen dat de timing van de motor niet goed is, maar dat het op deze manier is bepaald door de constructeur. Om de controleren of de timing van de motor in orde is, dient dit betreffende signaal vergeleken te worden met de fabrieksgegevens. Wanneer het gemeten signaal hiervan afwijkt, kan geconcludeerd worden dat de timing niet meer correct is, en er waarschijnlijk een probleem in de distributie aanwezig is.