Instrumentenpaneel:


Op deze pagina worden de volgende onderdelen beschreven:
-Instrumentenpaneel
-Indicatielampjes
-Toerenteller



Instrumentenpaneel:
In elk dashboard zit instrumentenpaneel gemonteerd. Hierin bevinden zich de meters (toerenteller, koelvloeistoftemperatuurmeter, tankniveaumeter, snelheidsmeter), de klok en kilometerteller, de controlelampjes van de airbag, ABS/ASR, koelvloeistofniveau / olieniveau lampje, handrem waarschuwingslampje, dynamo (accu) lampje etc.
Bij het instrumentenpaneel in de onderstaande afbeelding is ook een boordcomputer ingebouwd. Hierin is de temperatuur van de motorolie, het verbruik, de gemiddelde snelheid, een stopwatch, etc. te zien. Ook kan er in het scherm van de boordcomputer RDS weergave zitten (de radiozenders en de RDS tekst worden daarin weergeven).
Bij veel auto's zit ook de startblokkering in het instrumentenpaneel geprogrammeerd. Als de responder in de sleutel niet herkent wordt, zal de motor niet aan slaan. Pas wanneer de code die de sleutel doorgeeft herkend wordt door de startblokkering in het instrumentenpaneel, kan de auto gestart worden. Dit is een beveiliging tegen diefstal en wordt tevens een klasse 1 (alarm/beveiliging)systeem genoemd. Het lampje van de startblokkering brandt ook in de onderstaande afbeelding (de auto met het sleuteltje rechts bovenin). De sleutels moeten met behulp van een uitleescomputer via de OBD-stekker geprogrammeerd worden.





Indicatielampjes:
Er ontstaat vaak veel onduidelijkheid over de betekenis van de indicatielampjes die in het instrumentenpaneel kunnen gaan branden. Hieronder staan veel gebruikelijke lampjes die kunnen gaan branden met de betekenis en de mogelijke oorzaken erachter:

ABS: Storing in het ABS systeem (mogelijk in sensor, kabel of regelapparaat).
Accu: Mogelijk een defect in de dynamo. Dit lampje brandt altijd als het contact aan staat en de motor uitgeschakeld is. Zodra de motor gestart wordt dooft dit lampje als het systeem juist functioneert.
Achterruitverwarming: Dit lampje wordt meestal niet in het instrumentenpaneel weergeven, maar op de schakelaar van de achterruitverwarming.
Airbag: Bij dit lampje is er een storing in het airbagsysteem aanwezig. Er is mogelijk een probleem in de bedrading, in een airbagcomponent, in een crashsensor of in het regelapparaat.
Algemene waarschuwing: Meestal gaat dit lampje gepaard met een waarschuwing in tekstvorm als; sluit de deur alvorens het wegrijden, etc.
Cruise Control: Het cruise control lampje kan ook groen of rood zijn (merkafhankelijk). Het lampje zal oplichten als de cruise control in- of uitgeschakeld wordt.
Verlichtingsmelding: Er is een defecte lamp geconstateerd door het systeem. De bestuurder zal moeten controleren welke lamp er defect is.
Portiersignaal: Er is n of meerdere portieren geopend.
Gevarenlicht: Dit symbool staat altijd op de gevarenlichtschakelaar, welke gebruikt moet worden in situaties waarbij medeweggebruikers geattendeerd moeten worden op een mogelijk gevaarlijke situatie.
Gloeispiraal: Bij een dieselmotor wordt het gloeispiraal weergeven als er een probleem is met het voorgloeisysteem. Bij enkele modellen van de VAG-groep gaat dit lampje ook branden als de remlichtschakelaar defect is, of als lle remlichtlampen van de auto defect zijn.
Gordelwaarschuwing: Wanneer de bestuurder of bijrijder de gordel niet omdoet, zal het lampje gaan branden (mogelijk in combinatie met een geluidssignaal).
Grootlicht: Bij het inschakelen van het grootlicht gaat dit controlelampje branden.
Motorkoeling: Het koelsysteem van de motor is oververhit; mogelijk door een te laag koelvloeistofniveau, een gebrek aan koeling door een defecte koelven of een defecte sensor.
Bandenspanning: Dit lampje gaat branden als het bandenspanningcontrolesysteem een lekke band heeft herkend. Dit lampje kan overigens ook rood zijn (merkafhankelijk). Stop de auto bij de eerst volgende mogelijkheid om de bandenspanning te controleren c.q. reparatie uit te (laten) voeren of het reservewiel te monteren.
Motor Indication Lamp (M.I.L): Het MIL gaat branden als er een motorstoring opgeslagen is. Het kan ook samen met een EPC (emissie) lampje gaan branden.
Mistachterlicht: De indicatie van het mistachterlicht moet branden op de schakelaar f het instrumentenpaneel bij het inschakelen ervan.
Oliedrukmelding: Als het oliekannetje rood brand is er een probleem met de oliedruk. Zet de motor direct stil om motorschade te voorkomen. Mogelijke oorzaken zijn; een te lage oliedruk door een defecte oliepomp, verstopte leidingen / zeef, een veel te laag olieniveau, etc.
Olieniveaumelding: Bij een geel oliekannetje wordt de bestuurder geattendeerd op een te laag olieniveau. Het niveau zal op, of onder het minimum pijl staan en zal zo snel mogelijk moeten worden bijgevuld.
Remsysteem: Het lampje heeft meerdere functies; als indicatie van de aangetrokken handrem, als waarschuwing voor een te laag remvloeistofniveau en als melding voor versleten remblokken.
Richtingaanwijzers: En van de pijltjes zal oplichten bij het richting aangeven.
Tankniveaumelding: Als het tanklampje gaat branden is het tankniveau erg laag. Bij een brandend tanklampje spreken we ook wel over het ''reserve" dat meestal rond de 5 liter brandstof bedraagt. Er moet dus zeer binnenkort getankt worden.
Anti Slip Regeling: De ASR / DSC is uitgeschakeld. Dit kan komen door een storing of door het handmatig uitschakelen.
Transmissiestoring: Er is een storing in de automatische transmissie (versnellingsbak) aanwezig. Mogelijk door een te laag olieniveau, versleten koppelingen of versleten rembanden waardoor inwendige slip herkend is.
Voorruitontwaseming / verwarming: Bij een beslagen of bevroren voorruit kan deze verhit worden om goed zicht te krijgen.

 

Toerenteller:
De toerenteller is een onderdeel in het instrumentenpaneel en geeft het aantal 'toeren' aan dat de motor maakt. De omwentelingen per minuut worden aan de krukas gemeten en geregistreerd door de krukaspositiesensor. Bij gas geven of los laten zal de meter het krukastoerental, dus het motortoerental aangeven. Wanneer de meter bijv. 30 aangeeft, moet dat met 100 vermenigvuldigd worden. (Er staat ook vaak x100 bij). Dat houdt in dat de motor 3000 omwentelingen per minuut maakt. Wanneer deze 3000 gedeeld wordt door 60 (3000/60) komt daar 50Hz (Hertz) uit. De motor draait dan 50 rotaties per seconde.
Zo kan elk toerental door 60 gedeeld worden om de rotatiesnelheid van de krukas in seconden te berekenen.



Toerentalsensor of kabel:
Bij moderne auto's wordt het krukastoerental gemeten door een impulssensor. Op het vliegwiel wordt steeds een bepaald deel herkent (door een brede of een missende tand op de tandkrans) welke bij elke rotatie van de krukas langs de sensor draait. Elke keer als dit deel voorbij de sensor draait, meet de sensor dat de krukas n omwenteling is verdraaid. De sensor meet het aantal omwentelingen in een bepaalde tijd en geeft dit door aan het motorregelapparaat en aan de toerenteller in het instrumentenpaneel.


(Afb. van een krukaspositiesensor)

Klik hier voor meer informatie over de krukaspositiesensor, waar de werking van zowel de inductieve- als de Hall-sensor met behulp van scoopbeelden wordt uitgelegd.

Vroeger ging het bepalen van het krukastoerental niet elektronisch, maar mechanisch. Er zit in bijv. de Golf mk2 een kabel naar de versnellingsbak, welke aan de ingaande as bevestigd is. Aan de kabel zit een tandwieltje dat met de as meedraait. De andere zijde van de kabel zit aan het instrumentenpaneel (de toerenteller) verbonden.