Koplamp:


Op deze pagina worden de volgende onderdelen beschreven:
-Koplamp
-Kleuren
-H4 en H7 lampen
-Reflectoren
-Lichtbeeld van het dimlicht
-Amerikaanse koplamp
-Bedrading repareren



Koplamp:
De koplampen zorgen voor de verlichting aan de voorzijde van de auto. Sommige auto's hebben alle verlichting in één behuizing (zoals de auto in de afbeelding rechts) en anderen hebben meerdere units. De verplichte verlichting aan de voorzijde bestaat uit: stadslichten, dimlichten, grootlichten, knipperlichten en eventueel mistlichten en dagrijlichten.

 

Kleuren:
De stadslichten moeten geel of wit van kleur zijn wanneer ze branden. Lampen met een blauwe verflaag zijn bedoeld om zo wit mogelijk uit te stralen (bijv. met xenon). Dimlichten en grootlichten moeten geel of wit van kleur zijn. Xenonlampen worden vaak blauw/paarsachtig van kleur, maar op het koplampafstelapparaat is het lichtbeeld vaak alsnog gewoon wit. Andere kleuren zijn niet toegestaan.
Knipperlichten aan de voorzijde mogen oranje, geel of wit van kleur zijn. Mistlichten hebben de zelfde eisen als het dimlicht en grootlicht; ze moeten geel of wit van kleur zijn.
Dagrijlichten mogen alleen wit van kleur zijn. In Amerika zijn de "daytime running lights'' vaak oranje van kleur en branden constant met uitgeschakelde hoofdverlichting. In Nederland is dit verboden en moeten de oranje lampen vervangen worden door witte. Is dat niet mogelijk, dan moeten ze uitgeschakeld worden. Vaak geeft dat nog een ander probleem als de dagrijlichten en knipperlichten gecombineerd zijn; dan is de enige oplossing om witte lampen te monteren. Witte knipperlichten mogen immers wel.
Xenonlampen zijn vaak uitgevoerd met koplampsproeiers in de koplampbehuizing of in de voorbumper. Dit is om strooilicht van bijv. vuil en insecten op het koplampglas te voorkomen.



H4 en H7 lampen:
De meest gebruikte soorten lampen zijn de H4 en H7 lampen. Linksonder staat een H4 lamp afgebeeld. Deze lamp heeft twee gloeidraden achter elkaar; een voor dimlicht en een voor grootlicht. Wanneer het dimlicht ingeschakeld is en er wordt door de bestuurder geseind (of het grootlicht wordt ingeschakeld) dan schakelt het dimlicht even uit.
Rechtsonder staat een H7 lamp afgebeeld. Deze lamp heeft slechts 1 gloeidraad; deze is enkel voor dimlicht. Er is dus een aparte lamp nodig voor het grootlicht.
De H4 lamp is een stuk dikker dan de H7 lamp, dus ze kunnen niet per ongeluk verwisseld worden in de koplampbehuizingen. Ook heeft de H4 lamp drie aansluitingen op de stekker en de H7 lamp twee.


(Afb. H4 lamp)

(Afb. H7 lamp)



Reflectoren:
Dimlichtreflector:

Het dimlichtlampje schijnt naar boven, tegen de bovenkant van de parabolische reflector aan. Deze reflector weerkaatst het licht onder een bepaalde hoek terug. Deze lichtstralen moeten natuurlijk naar beneden gericht zijn. Er zijn mensen die het lampje andersom in de koplamp monteren (met geweld, want eigenlijk is het niet mogelijk). De lichtstralen gaan dan naar boven en verblinden alle tegenliggers.

(Afb. van een dimlichtreflector)

Grootlichtreflector:
Het grootlichtlampje straalt alle kanten uit, naar boven en naar onder, naar links en naar rechts. De reflector weerkaatst de lichtstralen recht naar voren, wat een grote luchtbundel geeft. De lichtopbrengst is nu maximaal, maar erg vervelend voor tegenliggers die verblind worden.

(Afb. van een grootlichtreflector)


Lichtbeeld van het dimlicht:
Het lichtbeeld van de auto wordt bij een grote onderhoudsbeurt en APK gemeten en zo nodig afgesteld. Er wordt een afstelapparaat voor de koplamp gezet, waar een schermpje in zit die de lichtinval meet. Aan de hand van het lichtbeeld in het afstelapparaat kan de koplamp afgesteld worden d.m.v. de afstelmechanieken in de koplamp te verstellen. De mistlampen kunnen ook op deze manier afgesteld worden, maar dat wordt meestal alleen gedaan na het de-/monteren of vervangen van de mistlampunits.

Hieronder staan 4 verschillende lichtbeelden weergeven (waarvan lichtbeeld 1 als voorbeeld van een hoge- of lage afstelling). De andere 3 lichtbeelden komen in de praktijk vaak voor. Als er een koplamp voor de APK afgekeurd wordt op het slechte lichtbeeld vanwege verweerde koplampglazen of reflectoren, weten veel mensen niet hoe dat door de keurmeester bepaald wordt. Door middel van deze afbeeldingen wordt dat een stuk duidelijker. Ook is er een grensgeval te zien, welke nog nét door de keuring kan komen.
 

Lichtbeeld 1:
Dit is enkel de horizontale lijn. De zwarte stippellijn geeft aan tot hoe ver het licht (gele gedeelte) mag komen. Vaak is dat tussen de 1,0% en 1,5% bij auto's zonder xenon en ongeveer 2% bij auto's met xenon. De bovenste rode lijn geeft aan waar het lichtbeeld zou staan als de koplampen op 0% zouden staan afgesteld (te hoog). De onderste rode lijn geeft een te laag lichtbeeld (bijv. 3%) aan. Ook kan het zijn dat in dat geval de stelmotor te ver naar beneden staat afgesteld, welke in het interieur te regelen is. Deze moet voorafgaand aan het afstellen altijd op 0 gedraaid worden.

 

Lichtbeeld 2:
Een perfect lichtbeeld. Een goede hoogte, met aan de rechter zijde de lichtboog die naar de berm toe schijnt. Dit is altijd bij auto's die op de rechter weghelft rijden. Bij Engelse auto's staat deze lichtboog naar links gericht. Daarom zitten er ook vaak stickers op de koplampen geplakt van Engelse auto's wanneer deze naar een ander land gaan. Dat is puur om deze lichtboog af te schermen, om verblinding van tegenliggers te voorkomen.

 

Lichtbeeld 3:
Bij auto's met verweerde koplampglazen of verweerde reflectoren ziet het lichtbeeld er vaak zo uit. Er is veel spreidlicht; er is aan de bovenzijde van de scheidingslijn veel licht aanwezig. Soms is het zo erg, dat er geen scheidingslijn meer zichtbaar is. De koplamp straalt dan in principe alle kanten uit, terwijl de lichtopbrengst (dus ook het zicht) ook minimaal is. Het is aan de keurmeester om te bepalen of het afkeur is, of dat het nog toelaatbaar is. Als er nog een horizontale scheidingslijn te zien is (zoals in deze afbeelding) is het wellicht nog net goedkeur.

 

Lichtbeeld 4:
Als het lampje andersom in de koplamp gemonteerd zit, schijnt het licht niet naar beneden toe, maar naar boven. Dat is duidelijk te zien in deze afbeelding.

 

Amerikaanse koplamp:
Amerikaanse koplampen verschillen van Europese versies. Vaak zit er een oranje reflector of extra oranje verlichting ingebouwd, wat op de Europese versie niet zit. Ook branden de knipperlichten constant (indien de knipperlichten niet branden, zijn er andere oranje lampen aan de auto toegevoegd). De oranje lampen schakelen in zodra de auto op het contact gezet wordt (net als dagrijverlichting).



In Nederland is dit verboden. De oranje lampen mogen alleen als knipperlicht gebruikt worden en mogen niet constant branden. Ook niet als deze maar voor 50% aangestuurd worden. Dit is APK afkeur en rede voor een bekeuring bij een verkeerscontrole.
Een ander verschil tussen de koplampen is het lichtbeeld. Het lichtbeeld van een Amerikaanse koplamp loopt, in tegenstelling tot de Europese richtlijnen, aan de rechter zijde van het lichtbeeld horizontaal. Het lichtbeeld gaat vanaf het midden iets omhoog en daarna loopt de lijn horizontaal naar rechts. De koplamp schijnt nu dus meer rechtuit dan dat deze in de berm schijnt. Bij geïmporteerde auto's wil dit nog wel eens een probleem geven. In principe is dit niet volgens de Europese eisen, dus zou de keurmeester dit als afkeur kunnen zien. Dit is ook puur afhankelijk van hoe hoog de lijn aan de rechter kant is t.o.v. de linker kant.





Bedrading repareren:
Na een aanrijding kan de kabelboom van de koplamp beschadigd zijn. De draden kunnen gebroken zijn. Om de bedrading te repareren, kunnen dezelfde kleuren kabels weer aan elkaar aangesloten worden. Het kan zijn dat de kleuren aan één kant niet duidelijk zichtbaar zijn, of dat er een praktijkexamen of opdracht uitgevoerd dient te worden waarbij alle draden uitgevoerd zijn in één kleur. Er is dan niet duidelijk welke draad welke functie heeft. Men dient er dan met behulp van het lezen van het schema en het uitvoeren van metingen achter te komen welke draad welke functie heeft. Op dat moment kunnen de kabels gerepareerd worden.

Als voorbeeld van een praktijkopdracht volgt het volgende schema, waarvan de draadboom aan de auto doorgesneden is en er een stekker met bedrading aan de koplamp gemonteerd zit. Aan de draden van de auto dienen stekkertjes A geknepen te worden en gemonteerd te worden in stekkerblok C. Aan de koplamp zit stekkerblok B met de bedrading, zodat men na correcte montage van de draden in stekkerblok C de stekkerblokken B en C aan elkaar kan klikken. De verlichting dient dan te functioneren.



Omdat stekker B aan de koplamp gemonteerd zit met de bedrading, dient er wel een schema bekend te zijn van de pinbezettingen. Een voorbeeld van zo'n schema is hieronder te zien. Raadpleeg de pagina Klemcoderingen wanneer je niet meer weet wat de coderingen R, 58R, 56A, 56B en 31 betekenen.

Voorbeeld 1:


In het bovenstaande schema zijn drie lampen en een kantelmotor te zien. Er is één massadraad; dat is codering 31 op pin 3 van het stekkerblok. De rest van de functies kan uit het schema worden afgelezen.
Aan de auto zitten losse draden. Door elke keer een lamp aan te zetten en een meting uit te voeren, kan worden bepaald welke draad welke functie heeft. De metingen worden uitgevoerd met een Multimeter. Hieronder volgt een voorbeeld:

Sluit de zwarte meetpen (massa) aan op een massapunt van de auto, bij voorkeur op de minpool van de accu. Zet een lamp aan; bijvoorbeeld het stadslicht. Ga vervolgens met de rode meetpen op zoek naar de draad waar nu 12 Volt op staat. Sluit deze draad dan aan in pin 5 van de lege stekker. Het kan zijn dat er eerst nog een stekkertje (A in de tweede afbeelding hierboven) aan geknepen dient te worden met een AMP-tang, zoals in de onderstaande afbeelding te zien is:



Omdat bij ingeschakeld dimlicht ook het stadslicht ingeschakeld is, staat er dus 12 Volt op twee draden. Voer daarom bij elke functie een aparte meting uit. Plak een stickertje met het pinnummer op de draad waar deze in het stekkerblok komt, of prik de draad direct in het stekkerblok na de meting, zodat er niet per ongeluk fouten worden gemaakt door draden te verwisselen.

De kantelmotor heeft twee draden; de plus en de min. Deze zitten in het bovenstaande schema aangesloten op de pinnen 6 en 7. De plus en min draaien bij vele systemen om bij een andere draairichting; draait de kantelmotor omhoog dan is bijv. pin 6 plus en 7 min. En wanneer de motor omlaag draait dan is dit andersom. Door de draden aan te sluiten en de werking van de kantelmotor te controleren, kan er gezien worden of dit juist is; wordt de stelknop in het interieur van stand 0 naar stand 3 gedraaid, dienen de koplampen omlaag te bewegen (werken alleen bij ingeschakeld dimlicht!). Beweegt de zojuist aangesloten koplamp omhoog, dan dienen de draden omgedraaid te worden.
Er zijn ook kantelmotoren die werken met een constante plus en een draad waar een variërende spanning op komt te staan. De hoogte van de spanning op de desbetreffende draad zorgt ervoor dat de kantelmotor weet of deze omhoog of omlaag moet bewegen. Raadpleeg hiervoor het schema. Dit zou er dan bij moeten staan.

Voorbeeld 2:



In het bovenstaande schema is de H4-lamp massa geschakeld. Dat betekent dat de lamp altijd een voedingsspanning krijgt via klem 15 (dus wanneer het contact van de auto aanstaat). De lampen van het dim- en grootlicht (56B en 56A) worden ingeschakeld door deze draden aan massa te leggen. In rust is de massa dus onderbroken.
Op het moment dat de lichtschakelaar op de juiste stand staat, kan met een weerstandmeting worden bepaald welke draad van de juiste lamp is; als de schakelaar op dimlicht wordt gezet en één draad heeft dan een weerstand van 0 Ohm, dan is dat de juiste draad die aangesloten dient te worden.