Ventilatieregeling:


Op deze pagina worden de volgende onderdelen beschreven:
-Algemeen
-Ventilatieregeling
-Interieurventilator
-Voorschakelweerstand
-Kachelhuis
-Kachelradiateur
-Ventilatieschachten



Algemeen:
Het klimaat in de auto kan met de systemen van tegenwoordig optimaal worden aangepast. Wanneer het koud is, kan het interieur op verschillende manieren opgewarmd worden. Deze warmte is afkomstig van de warmte van de motor. Er wordt een zo constant mogelijk, aangename temperatuur aangehouden. Bij hoge buitenluchttemperaturen is het fijn wanneer er een koele luchttemperatuur het interieur ingeblazen wordt. Bij auto's zonder airconditioning is dit de pure buitenlucht, maar bij de auto's met Airconditioning wordt deze buitenlucht eerst flink afgekoeld voordat het in het interieur geblazen wordt. Bij een te hoge temperatuur ontstaan aandachtsverlies, tragere reacties en vermoeidheid.
De airconditioning heeft ook invloed op de luchtvochtigheid in het interieur; deze neemt af. Bij een te hoge luchtvochtigheid kun je een benauwd en drukkend gevoel krijgen en bij een te lage luchtvochtigheid kun je een droge keel en droge ogen krijgen. Het meest prettige klimaat is in een temperatuur tussen de 20 en 23 graden, met een luchtvochtigheid tussen de 30 en 60% en uiteraard met gefilterde lucht d.m.v. een interieurfilter.
 

Ventilatieregeling:
Door variaties in de buitentemperatuur of in de snelheid van de auto, verandert de temperatuur in het interieur van de auto. Om de juiste temperatuur te handhaven moeten de kachel- en ventilatiestanden bij handmatige verwarming regelmatig worden versteld. Auto's met automatische temperatuurregeling hebben dit probleem niet; deze past zelf de ventilatiesnelheid en temperatuur aan. De regelunit zorgt ervoor dat de ingestelde temperatuur wordt gehandhaafd. Wanneer er bijv. 20 graden Celsius ingesteld staat en het raam heeft in de tussentijd even opengestaan terwijl het buiten koud is, dan zullen de interieurtemperatuursensoren meten dat de temperatuur in het interieur gedaald is. De temperatuur van de verwarming zal stijgen (naar bijv. 24 graden) en de ventilatiesnelheid gaat omhoog. Zodra het interieur de temperatuur van 20 graden Celsius weer bereikt heeft, worden de ventilatorsnelheid en uitstroomtemperatuur weer omlaag gebracht.

Ook de zonnesensor op het dashboard heeft invloed op de snelheid van de interieurventilator. De lichtintensiteit wordt d.m.v. de ultraviolette straling in het zonlicht gemeten. Bij fel zonlicht zal de interieurventilator een grotere hoeveelheid koude lucht het interieur in blazen. De zonnesensor is te herkennen aan het bolletje dat zich meestal in het midden aan de bovenkant van het dashboard bevindt. De onderstaande afbeelding is van een dergelijke zonnesensor:



De temperatuur in het interieur kan op twee manieren constant gehouden worden; namelijk door het gebruik van:
- Mengluchtregeling: De koude en warme lucht worden door middel van kachelkleppen in het kachelhuis bij elkaar gemengd. De koude lucht is de buitenluchttemperatuur en de warme lucht is zo warm mogelijk (maximaal opgewarmd door de koelvloeistof). Door de klep van de warme lucht steeds iets verder open te zetten, wordt er steeds iets meer warme lucht bij de buitenlucht toegevoerd. Meer informatie over het kachelhuis wordt verderop op de pagina beschreven.
- Vloeistofregeling: Door kachelkranen elektronisch aan te sturen, wordt de koelvloeistofstroming door de kachelradiateur verandert. De buitenlucht stroomt door de kachelradiateur heen. De lucht wordt hierdoor opgewarmd. De luchttemperatuur is dus afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur in de kachelradiateur. Meer informatie over de kachelradiateur wordt verderop op de pagina beschreven.
- Verdamper: De verdamper is een onderdeel van het airconditioningssysteem en wordt op een aparte pagina beschreven. Door de warme buitenlucht door de koude verdamper heen te laten stromen, wordt deze lucht afgekoeld.
De interieurventilator zal de lucht door het kachelhuis, kachelradiateur en / of verdamper heen moeten blazen, om de lucht de gewenste temperatuur te geven en vervolgens het interieur in laten stromen.
 

Interieurventilator:
Hieronder
staat een interieurventilator afgebeeld. De interieurventilator wordt ook wel "kachelmotor" of "aanjager" genoemd. In het midden van de interieurventilator zitten de schoepen, die ervoor zorgen dat de lucht in het interieur geblazen wordt. De ventilatielucht wordt aan de bovenkant van de motor aangezogen en via de kanalen aan de zijkant naar de kachelradiateur gevoerd. De kachelradiateur zit direct na de interieurventilator gemonteerd in het kachelhuis.


Voorschakelweerstand:
De interieurventilator moet worden voorzien van spanning. Met een spanning van 12 volt zal de ventilator op maximale snelheid draaien. Dat komt overeen met stand 4 waar de knop op gedraaid wordt (of de maximale waarde op het digitale display van de automatisch geregelde ventilatie). Wanneer de standen 1, 2, of 3 op de bedieningsschakelaar geselecteerd worden, moet de interieurventilator langzamer gaan draaien. De spanning moet dan worden verlaagd. De voorschakelweerstand zorgt hiervoor.



De voorschakelweerstand wordt tijdens het gebruik erg warm, omdat de stroom naar de interieurventilator begrenst moet worden. Daarom zit de voorschakelweerstand altijd op een ventilatiekanaal gemonteerd. De koelribben bevinden zich aan de binnenzijde van het ventilatiekanaal. De langsstromende lucht zorgt ervoor dat de koelribben van de voorschakelweerstand afgekoeld worden.


(Afb. Voorschakelweerstand)

De stand van de bedieningsschakelaar in het interieur bepaalt de snelheid van de interieurventilator. In stand 1 draait de motor langzaam, in stand 4 met maximaal toerental, met daartussen de tussenliggende toerentallen. Om de interieurventilator langzaam te laten draaien, worden er weerstanden gebruikt om de stroom te beperken. Meer weerstand betekent minder stroom, minder spanning en dus een lager toerental. In de onderstaande tabel zijn de spanningen te zien bij de verschillende standen van de bedieningsschakelaar:
 
Stand 1: 3 volt
Stand 2: 6 volt
Stand 3: 9 volt
Stand 4: 12 volt

In stand 4 staat de interieurventilator direct aan de accuspanning: 12 volt. De motor draait nu op volle snelheid.
Als stand 3 wordt ingeschakeld, wordt de spanning d.m.v. een weerstand in de voeding naar 9 volt terug gebracht.
In stand 2 wordt er nog een weerstand in serie bij geschakeld. Die 2 weerstanden in serie zorgen ervoor dat de spanning verlaagd wordt tot 6 volt. De ventilatormotor draait nu halve snelheid.
In stand 1 worden er 3 weerstanden in serie gezet en blijft er slechts 3 volt over. De motor draait nu op de langzaamste stand.
In stand 0 schakelt de motor uiteraard uit.

Een typisch gevolg van een defecte voorschakelweerstand is wanneer de interieurventilator niet werkt in de tussenstanden, maar alleen in de hoogste stand. De interieurventilator kan dus óf uitgeschakeld worden, óf voluit draaien. Door een onderbreking in de weerstanden die bij de standen 1, 2 en 3 geactiveerd worden, zal er geen stroom lopen. Vaak is een defect aan de kachelweerstand ontstaan door een te hoge temperatuur. Doordat de weerstand in een ventilatiekanaal geplaatst is, wordt deze wel gekoeld, maar bij een te hoge stroom kan de temperatuur te hoog oplopen waardoor de weerstand kapot gaat. De hoge stroom kan een gevolg zijn van een interieurventilator die niet soepel draait; bij defecte lagers kost het namelijk meer stroom om de ventilator te laten draaien.


Kachelhuis:
Hieronder staat het kachelhuis afgebeeld. De interieurventilator zit onder de kachelradiateur gemonteerd. De ventilatielucht komt aan de zijkant van de interieurventilator binnen en wordt aan de bovenkant door de kachelradiateur en de verdamper van de airconditioning heen geblazen. Het kachelhuis zit in het midden onder het dashboard en kan in principe alleen maar gedemonteerd worden als het complete dashboard gedemonteerd wordt.




Kachelradiateur:
De kachelradiateur zorgt voor de opwarming van de lucht die het interieur ingeblazen wordt. De kachelradiateur bestaat uit twee leidingen (een toevoer en een afvoer) die zich opsplitst in kanalen waartussen lamellen geplaatst zijn. De lamellen zorgen voor een groter warmtewisselend oppervlak.

De kachelradiateur werkt net als de radiateur die aan de voorkant van de auto zit als warmtewisselaar. De koude lucht die door de lamellen heen stroomt, wordt opgewarmd door de koelvloeistof die door de kanalen langs de lamellen stroomt. De warmte van de koelvloeistof wordt overgebracht op de luchtstroom. De opgewarmde lucht komt in het interieur van de auto terecht; dit is de kachel die door de inzittenden wordt geactiveerd. Omdat de warme lucht die de interieurventilator in het interieur blaast afhankelijk is van de temperatuur van de koelvloeistof, is het logisch dat de kachel direct na het starten van de motor nog koud is. De kachel is pas volledig functioneel wanneer de motor op bedrijfstemperatuur is.



De inzittenden kunnen de kachel warmer of kouder zetten. Door de kachel te bedienen, verandert de opening van de kachelkraan. De kachelkraan regelt de hoeveelheid koelvloeistof die door de kachelradiateur stroomt. De grootte van de koelvloeistofstroom bepaalt uiteindelijk de luchttemperatuur. Hieronder worden de regelprincipes van de kachelkraan beschreven:

Kachelkraan volledig geopend:
- Grote koelvloeistofstroom.
- De koelvloeistof wordt niet gemakkelijk afgekoeld door de luchtstroom.
- Het materiaal van de kachelradiateur blijft erg warm.
- De lucht die het interieur in wordt geblazen is daardoor ook warm.

Kachelkraan gedeeltelijk geopend:
- Kleine koelvloeistofstroom.
- De koelvloeistof koelt daardoor makkelijker af door de luchtstroom.
- Het materiaal van de kachelradiateur wordt gedeeltelijk warm.
- De lucht die het interieur in wordt geblazen is lauw.

Op het moment dat de kachel in de winter direct geactiveerd wordt en de interieurventilator in stand 4 wordt gezet, zal de motor ook minder snel op bedrijfstemperatuur komen. Dat komt doordat de passerende lucht de koelvloeistof weer afkoelt. Dat is niet wenselijk, want we willen natuurlijk dat de motor zo snel mogelijk warm is. Het is daarom aan te raden om pas na een aantal kilometer rijden de kachel te activeren.


Ventilatieschachten:
In de onderstaande afbeelding staan de ventilatieschachten en uitgangen weergeven. Normaal is dat niet zichtbaar, omdat het dashboard, het middenconsole en de vloerbedekking er overheen gemonteerd zitten. De stappenmotoren van de kachelkleppen in het kachelhuis regelen de luchtstroom naar de verschillende richtingen (naar de voorruit, naar de linker- of rechter ventilatieroosters, of naar de voetenruimtes). Er is een constante ventilatiestroom naar het achtercompartiment. De achterste ventilatieroosters in het middenconsole zijn mechanisch te sluiten.

Nummers 1, 2, 3: Luchtopening naar de voorruit (o.a. voor voorruitontwaseming / Defrost)
Nummers 4, 5: Ontwaseming van beide zijruiten van de voorportieren
Nummers 6, 8, 9, 11: Ventilatieroosters voor berijders- en passagierscompartiment
Nummers 7, 10: Luchtopeningen voor voetruimtes bestuurders- en passagierscompartiment
Nummers 12, 13, 16, 17: Luchtopeningen voor voetruimtes achterpassagiers
Nummers 14, 15: Ventilatieroosters in middenconsole voor de achterpassagiers