Trekhaak:


Op deze pagina worden de volgende onderdelen beschreven:
-Trekhaak
-Bedrading
-Hulpkoppeling en Losbreekreminrichting



Trekhaak:
De trekhaak wordt meestal achteraf op de auto gemonteerd. Er kan dan vaak gekozen worden tussen:
- Een trekhaak met vaste kogel
- Een trekhaak met afneembare kogel
- Een elektrisch wegklapbare trekhaak

De trekhaak met een afneembare kogel wordt het meest gemonteerd (zie de onderstaande afbeelding). De trekhaak zelf is vaak U-vormig en wordt met de 2 uiteinden in de kokerbalken van de auto vastgeschroefd. Bij andere auto's kan het een metalen balk zijn die alleen aan de achterkant van de kokerbalken wordt gemonteerd.


(Afb. van een complete trekhaak (zwart) en de achterbumper (grijs)

De montage van de trekhaak is vaak vrij simpel. Wanneer de achterbumper gedemonteerd is (en vaak ook de achterlichtunits), kan de stalen bumperbalk gedemonteerd worden. De trekhaak komt daarvoor in plaats. Deze moet dan met 4 of 6 bouten aan de carrosserie bevestigd worden (raadpleeg de fabrikant voor de aanhaalmomenten, dit is zeer belangrijk!) Let erop dat er auto's bestaan waarbij er zelf nog gaten in de carrosseriedelen geboord moeten worden!
Er moet genoeg ruimte worden overgehouden voor de trekhaakkogel, de eventuele knop om te kunnen de-/monteren en natuurlijk de stekkerdoos. Deze moet ook bereikbaar zijn. Het aansluiten van de bekabeling is vaak lastiger. Dat wordt in het volgende hoofdstuk uitgelegd.



Bedrading:
Er kan bij aanschaf van een trekhaak gekozen worden voor een 7-polige of een 13-polige stekkerdoos. Het verschil is, dat de 13-polige een constante en een geschakelde plus heeft, wat nodig is om bij bijv. een caravan de koelkast en de binnenverlichting te kunnen laten werken. Dit wordt uitgebreid omschreven (met de pinbezettingen en de kleuren) op de pagina Klemcoderingen (stekkerdoos).

De afbeeldingen hieronder geven inzicht in hoe de bekabeling loopt van de standaard 7-polige, de standaard 13-polige of de 13-polige CAN-bus trekhaakbedrading.
 

7-polige stekkerdoos (standaard)
Vanaf de stekkerdoos loopt een kabelboom direct naar de achterlichten. Dit is de meest eenvoudige uitvoering. Vaak zijn het kant en klare sets die speciaal voor een type auto gemaakt zijn, zodat de stekkers van de achterlichten op de kabelset kunnen worden aangesloten. De stekkers van de kabelset dienen dan weer op de achterlichten gemonteerd te worden. Zo hoeft de bekabeling niet aangepast te worden omdat alleen stekkers op de goede manier in elkaar geklikt worden. Deze bekabeling is het zeer snel en eenvoudig gemonteerd worden.
Een voorbeeld van zo'n gestandaardiseerde kabelboom is in de afbeelding hieronder te zien.

 

In de onderstaande afbeelding is de kabelboom van een Volkswagen Polo weergeven. Deze kabelboom wordt tussen de standaard stekkers en de achterlichten gemonteerd. Omdat de kabelboom specifiek voor deze Polo is ontworpen, zijn alle kabels op de goede lengte en zitten de draden in de juiste posities in de stekkers. Hieronder staat uitgelegd waar de aanduidingen A tot en met D voor staan:
- A: Hier worden de stekkers van de achterlichten in geklikt.
- B: Deze stekkers worden in de achterlichten geklikt.
- C: Dit is de massakabel en dient aan een massapunt op de carrosserie gemonteerd te worden.
- D: Deze acht kabels zijn voor de 7-polige stekkerdoos. En draad heeft de functie om het mistachterlicht van de auto uit te schakelen op het moment dat het klepje van de stekkerdoos geopend wordt. Vanuit stekker A worden de spanningen doorgelust naar zowel stekker B (naar de achterlichten) als de draden naar de stekkerdoos (D). Er is bij deze kabelboom geen sprake van een constante- of geschakelde plus. Hiervoor dient een 13-polige stekkerdoos gemonteerd te worden en dienen hier twee draden naar de voorzijde van de auto getrokken te worden om ze daar in de zekeringenkast aan te sluiten.


Afb: kant-en-klare kabelboom voor een 7-polige stekkerdoos van een VW Polo.

13-polige stekkerdoos (zonder CAN-bus)
Vanaf de stekkerdoos lopen er kabels naar de achterlichten toe (zoals bij de 7-polige). De achterlichten sturen aanhangerverlichting direct aan. Bij een 13-polige stekkerdoos zijn er ook nog een constante en een geschakelde plus aanwezig. Deze zijn op 12 volt aangesloten via de zekeringenkast (onder het dashboard of anders onder de motorkap). De constante plus heeft ltijd spanning, en de geschakelde plus krijgt pas spanning als het contact op klem 15 staat (contact aan, of als de motor gestart is).
De bekabeling loopt natuurlijk binnen langs (boven de dorpel), maar kan ook via de rechter kant naar voren lopen. Dit is afhankelijk van het voertuigtype. Bij sommige auto's loopt de bekabeling ook onder de auto door van achteren naar voren.

 

 

13-polige stekkerdoos (met CAN-bus)
De CAN-bus versie maakt gebruik van een regelapparaat. Dit regelapparaat zorgt voor de aansturing van de verlichting (behalve van de remlichten) van de aanhanger. Vanaf het BCM (Boord Controle Module, elke fabrikant heeft echter zijn eigen benaming) lopen er CAN-bus draden naar het regelapparaat van de trekhaak. Via deze CAN-bus draden wordt de informatie verstuurd welke verlichting er moet branden. Een extra functie van dit CAN-bus systeem is, dat er herkent wordt wanneer er een lampje defect is aan de aanhanger. Er zal een melding worden gegeven aan de bestuurder. Dit wordt door het aanhangerregelapparaat constant gecontroleerd, net als dat tegenwoordig normaal gesproken in de auto met defecte verlichting ook gaat.
De remlichten worden apart aangestuurd, zodat wanneer er een CAN-bus storing met het aanhangerregelapparaat is, de remlichten wel functioneren. Ook zijn de constante en geschakelde plusdraden aanwezig voor de stekkerdoos. Deze dienen nu ook als voeding voor het aanhangerregelapparaat.
Het aanhangerregelapparaat zal altijd gecodeerd moeten worden door diagnoseapparatuur van het merk.

Het verschil in inbouwtijd tussen de standaard 7-polige stekkerdoos en de 13-polige met CAN-bus aansturing is groot. Er moeten vaak veel interieurdelen gedemonteerd worden om de bekabeling netjes weg te werken en de bedrading moet in diverse stekkers van regelapparaten en de zekeringenkast gemonteerd worden. Ook het coderen is niet bij alle merken snel gebeurd. Zo moet bij BMW de hele auto geprogrammeerd en gecodeerd worden, wat (met een oude softwarestand) wel een halve dag kan duren. Wanneer de softwarestand actueel is, kan het wel binnen 15 minuten gebeurd zijn.

Voor meer informatie over de stekkerdoos (de pinbezettingen en de kleuren), zie de pagina Klemcoderingen (stekkerdoos).


Hulpkoppeling en Losbreekreminrichting:
Om een aanhangwagen deugdelijk aan het voertuig te bevestigen is het wettelijk verplicht om gebruik te maken van een hulpkoppeling of losbreekreminrichting. Op het moment dat door een defect of een ondeskundige handeling de aanhanger tijdens het rijden van de trekhaak los schiet, dient er een veiligheidssysteem aanwezig te zijn dat dan in werking treedt.
Bij aanhangers met een maximale massa (van de aanhanger inclusief de lading) tot 1500kg volstaat het gebruik van een hulpkoppeling. Een hulpkoppeling is niets meer als een dikke staalkabel die aan de ene kant aan de aanhangwagen vast zit en aan de andere kant aan de auto gemonteerd wordt. Wanneer de aanhangwagen tijdens het rijden van de trekhaak los komt, zal de kabel ervoor zorgen dat de aanhangwagen de auto blijft volgen. De hulpkoppeling bedient niet de rem van de aanhangwagen.
Wanneer de maximale massa van de aanhangwagen hoger dan 1500kg bedraagt, dient deze te zijn voorzien van een losbreekreminrichting. De losbreekreminrichting bestaat uit een staalkabel die de handrem van de aanhangwagen aantrekt op het moment dat deze tijdens het rijden van de trekhaak los komt. De staalkabel is hierbij wel dunner als bij een hulpkoppeling; de kabel dient namelijk bij een bepaalde trekkracht te breken nadat de handrem aangetrokken is. De aanhangwagen remt dan zelfstandig af zonder dat deze nog met de auto verbonden is. Het is niet toegestaan om zowel een hulpkoppeling als een losbreekreminrichting op n aanhanger te hebben. In een noodsituatie zouden de wielen van de aanhangwagen door de losbreekreminrichting blokkeren, terwijl deze door de auto met de hulpkoppeling wordt meegetrokken.

In de onderstaande afbeeldingen zijn vier mogelijkheden te zien waarop de hulpkoppeling en de losbreekreminrichting bevestigd kunnen worden. De kabel moet ten alle tijden verbonden zijn met een vast deel van de trekhaak of de carrosserie van de auto. In afbeelding 1 is er een speciale beugel op de trekhaak gemonteerd. De kabel moet in een lus in de beugel gelegd worden.
In afbeelding 2, 3 en 4 is de kabel aan een vast punt van de carrosserie van de auto bevestigd. Dit vaste punt kan ook een gat in de trekhaakbeugel zijn waar de kogel in gemonteerd zit. Ook hier kan er een extra lus om de trekhaakkogel gelegd worden, zoals in afbeelding 4 te zien is. Het is verboden om de kabel in een lus over de trekhaakkogel heen te leggen, zonder dat deze kabel of lus verbonden is met een vast deel van de trekhaak of de carrosserie. Op dit moment bedraagt de boete meer dan 150 euro.


(Afb. van de montagemogelijkheden)

Bij auto's met een (elektronisch) inklapbare trekhaak is het vaak niet mogelijk om een beugel te monteren als in afbeelding 1 hierboven. De trekhaakkogel is vaak anders van vorm; deze is vaak vierkant of rechthoekig van vorm. Vaak zit er een oog aan de kogel zelf waar de kabel in gemonteerd kan worden, maar ervaring leert dat dit niet altijd het geval is. De fabrikant, in dit geval dus ook de dealer, kan hulpstukken leveren die op de desbetreffende trekhaakkogel passen. Informeer hiervoor bij de merkdealer.

Let er bij de montage van de kabel op dat deze de grond niet kan raken tijdens het rijden, ook niet wanneer de auto aan de achterzijde in zal veren. Beschadigingen aan de kabel leiden tot een onbetrouwbaar beveiligingssysteem.