Meten met de oscilloscoop:


Op deze pagina worden de volgende onderdelen beschreven:
-Algemeen
-Oscilloscoop inschakelen en meetkabels aansluiten
-Volt en tijd per divisie instellen
-Trigger instellen
-Smooth-functie in- of uitschakelen
-Kanaal B inschakelen
-Meten met de stroomtang
-Scoopbeeld van een duty-cycle
-Scoopbeeld van een krukas- en nokkenassignaal
-Scoopbeeld van een injector van een indirect ingespoten benzinemotor
-Scoopbeeld van een injector van een common-rail dieselmotor
-Scoopbeeld van een bobine
-Scoopbeeld van een afstandbediening
-Scoopbeeld van het nadenderen van een relais
-Scoopbeeld van het inschakelen van een lamp
-Scoopbeeld van een pingelsensor




Algemeen:

Een oscilloscoop (afgekort als scoop) is een grafische voltmeter. De spanning wordt grafisch als een functie van de tijd weergeven. Ook is de scoop zeer nauwkeurig.
De tijd kan zo klein worden ingesteld, dat signalen die afkomstig zijn van sensoren als de lambdasonde of actuatoren zoals een injector, perfect weergeven kunnen worden.

De onderstaande afbeelding is van een digitale oscilloscoop, die in autogarages, in test- en ontwikkelruimtes en bij opleidingen gebruikt wordt. Dat kan natuurlijk ook van een ander merk zijn, maar dan zien ze er vaak ook bijna het zelfde uit. De werking is ook allemaal vrijwel het zelfde. Boven op de scoop zitten een rode en een grijze aansluiting. Dit zijn de kanalen A en B. In het midden zit de massa-aansluiting.
Er kunnen twee metingen tegelijkertijd gedaan worden op één scherm (A en B apart). Dit is ook in deze afbeelding te zien. Meting A staat boven en meting B staat onder. Zo kunnen er makkelijk signalen van 2 verschillende sensoren met elkaar vergeleken worden. Voor een enkele meting wordt standaard kanaal A gebruikt.



Met de oscilloscoop kan zowel gelijkspanning als wisselspanning gemeten worden. De sensoren in bijvoorbeeld de motorruimte geven een signaal naar het motorregelapparaat. Dit signaal kan worden gecontroleerd door met de oscilloscoop te meten. Op die manier kan worden gecontroleerd of dat de sensor defect is, of dat er sprake is van bijvoorbeeld kabelbreuk of corrosie op de stekkeraansluitingen.

In de onderstaande afbeelding is de accuspanning gemeten. Tussen de nullijn (het zwarte streepje links onderin) en de gemeten spanning
(de dikke lijn boven A) zijn 7 hokjes aanwezig. Elk hokje wordt een divisie genoemd.



De voltage die per divisie ingesteld dient te worden staat ingesteld op 2 V/d (links onderin het scherm). Dat betekent, dat elk hokje 2 volt bedraagt. Omdat er 7 hokjes tussen de nullijn en het signaal aanwezig zijn,  kan met een simpele vermenigvuldiging bepaald worden hoeveel volt de aangegeven lijn is; 7*2 = 14 volt. De gemiddelde spanning staat ook in het beeld weergeven (14,02 volt).
 


Oscilloscoop inschakelen en meetkabels aansluiten:
De groene knop linksonder het apparaat dient ingedrukt te worden om de scoop in te schakelen. Om met de oscilloscoop te meten, dienen de rode meetpen in kanaal A- en zwarte meetpen in de COM-aansluiting geplaatst te worden.
Om een signaal te meten dient de rode meetpen (kanaal A, plus) op de signaalaansluiting van de sensor of op de goede plaats in de break-out box geplaatst te worden. De zwarte meetpen (COM) dient op een goed massapunt van de carrosserie of de massa van de accu geplaatst te worden.
Bij een meting van een enkele spanning is het voldoende om alleen kanaal A en de COM-aansluitingen te gebruiken.
Wanneer er een meting uitgevoerd dient te worden waar twee spanningsbeelden met elkaar vergeleken dienen te worden, kan
kanaal B gebruikt worden. De meetpen dient in aansluiting B gestoken te worden en kanaal B dient in de oscilloscoop ingeschakeld te worden.



Op de oscilloscoop zit de knop “AUTO”. Deze functie zorgt ervoor dat de oscilloscoop zelf de beste instellingen zoekt voor het ingangssignaal. Het nadeel van deze functie is dat niet altijd het goede signaal weergeven wordt; het gevaar bestaat dat de oscilloscoop telkens de instellingen wijzigt bij een signaal waarvan de amplitude (de hoogte van het signaal) en de frequentie (de breedte van het signaal) constant veranderen. Wanneer twee spanningsbeelden met elkaar vergeleken dienen te worden die beiden andere tijdsinstellingen hebben, kan het erg lastig worden. Daarom is het beter om de oscilloscoop handmatig in te stellen en meerdere metingen met dezelfde instellingen uit te voeren. Hoe de oscilloscoop handmatig ingesteld moet worden, wordt in de volgende paragrafen beschreven.



Nullijn instellen:
Nadat de oscilloscoop is ingeschakeld, zal de nullijn vaak automatisch halverwege het scherm worden ingesteld. Bij een instelling van 1 volt per divisie zal het bereik slechts 4 volt zijn. Er pas dus slechts 4 volt in het scherm. Wanneer er een hoger voltage gemeten wordt, zal de lijn buiten het beeld vallen.



Om het volledige spanningsbeeld in het scherm te laten passen, dient de nullijn omlaag verplaatst te worden. Dit is in de onderstaande afbeelding te zien. De nullijn staat hier op de onderste lijn van het scherm ingesteld.



Nu de nullijn onderin staat en de oscilloscoop op 1 V/d ingesteld staat, kan er een spanning van maximaal 8 volt weergeven worden (8*1 = 8 v). Dit is prima voor het meten van de voedingsspanning of een signaal van een actieve sensor (maximaal 5 volt), maar onvoldoende voor het meten van hogere spanningen zoals de accuspanning of de spanning over een lamp.



Volt en tijd per divisie instellen:
Zoals eerder al beschreven is, dient het aantal volt per divisie juist ingesteld te worden om het spanningsbeeld in het beeldscherm te laten passen. Ook het instellen van de juiste tijd per divisie is belangrijk. Het instellen wordt in deze paragraaf beschreven.
Wanneer het aantal volt per divisie te laag is, zal de meting buiten het beeld vallen, maar wanneer het aantal volt per divisie te hoog is, zal er slechts een klein signaaltje zichtbaar zijn. In de ideale meting zal het signaal over het gehele beeldscherm zichtbaar zijn.
In de onderstaande afbeelding wordt met de knop waar mV en V op staat, het aantal volt per divisie aangepast. Druk op mV om de tijd per divisie kleiner te maken en op V om het te verhogen.




Met het instellen van de tijd per divisie kan de tijd veranderd worden waarin gemeten wordt. Bij de instelling 1 seconde per divisie (1 S/d) zal de lijn elke seconde een hokje verplaatsen. Dit is ook te zien in de spanningslijn; het lijntje zal elke seconde een divisie van links naar rechts bewegen. Afhankelijk van het soort meting is het wenselijk om de tijd te verhogen of te verlagen. Bij het meten van het spanningsverloop van een injector zal de tijdsinstelling lager ingesteld moeten worden dan bij het meten van een duty-cycle.
Het verhogen kan door het indrukken van de “s” aan de linker kant van de “TIME”-knop. Het verlagen kan met de “ms”. Het instellen van de tijd is voor het A- en B-kanaal gelijk; er kan bij kanaal A dus niet een ander tijdsverloop ingesteld worden dan bij kanaal B.





Trigger instellen:
Bij het meten van spanningen zoals de accuspanning is geen trigger nodig. De accuspanning (getoond in paragraaf "Algemeen") is een rechte lijn, waarbij de divisies tussen de nullijn en het signaal geteld dienen te worden. De lijn is een constante. De hoogte van de lijn zal pas veranderen wanneer de accu geladen wordt of wanneer er een verbruiker ingeschakeld is. In het laatste geval zal de lijn na verloop van tijd lager worden.

Bij het meten van een sensorsignaal zal de spanningslijn niet constant zijn. De hoogte van de spanningslijn zal over het beeldscherm heen-en-weer verschuiven. Uiteraard kan de HOLD-knop gebruikt worden om het beeld op pauze te zetten zodat het beeld bekeken kan worden, maar dat is niet ideaal. De HOLD-knop moet dan wel op exact het goede moment ingedrukt worden. Het tweede nadeel is dat er geen veranderingen van het signaal getoond worden doordat het beeld bevroren is.
De triggerfunctie biedt daarvoor de oplossing. Door de trigger in te stellen, zal het spanningsbeeld op het scherm op het ingestelde punt stilgehouden worden. De meting blijft dan wel doorgaan, zodat bij een verandering van de omstandigheden (bijvoorbeeld het toerental of de temperatuur) de vorm van het signaal wel zal veranderen.

De symbolen van de trigger zijn als volgt:
Trigger voor de opgaande flank. Deze triggerfunctie houdt het spanningsbeeld op een plek vast waar deze omhoog gaat.
Trigger voor de neergaande flank. Dit is het omgekeerde teken van de opgaande flank. Deze triggerfunctie houdt het spanningsbeeld vast wanneer deze als eerst omlaag gaat.

Druk om de trigger te verplaatsen op de knop F3 (zie onderstaande afbeelding). Verschuif de trigger met de pijltjestoetsen naar boven en naar beneden. Verander de trigger van opgaande naar neergaande flank met de pijltjes naar links en naar rechts.



In de onderste twee afbeeldingen is hetzelfde spanningsbeeld te zien waar op twee verschillende manieren getriggerd is.

Trigger op de opgaande flank:
In de onderstaande afbeelding is de trigger weergeven op de opgaande flank van het signaal. De oscilloscoop zal daardoor het beeld stil laten staan zolang het sensorsignaal gemeten wordt. Wanneer de trigger niet ingesteld zou zijn, zou dit signaal constant van links naar rechts door het beeldscherm schuiven.



Trigger op de neergaande flank:
Hierbij is de trigger bij dezelfde meting ingesteld op de neergaande flank. In dit beeld is goed te zien dat het beeld hetzelfde is, maar dat het signaal iets naar links is verschoven. Met deze triggerfunctie wordt het beeld vastgehouden op het punt waar deze omlaag gaat.

Uiteraard is de trigger geen manier om het beeldscherm te pauzeren. Zodra het gemeten object wordt uitgeschakeld of wanneer het signaal veranderd, zal in het beeld het signaal mee veranderen.
Dit is te zien in de afbeelding; de trigger staat op hetzelfde punt, maar de horizontale spanningslijn is hier meer dan twee keer zo lang geworden. De spanning van 1,5 volt (1500mV) is nu 110µs (microseconden) actief in plaats van 45µs bij de vorige meting.





Smooth-functie in- of uitschakelen:
Omdat de oscilloscoop erg nauwkeurig is, wordt er ook altijd wat ruis op het beeld weergeven. Dit kan erg storend zijn, vooral als er nauwkeurig naar het spanningsbeeld gekeken dient te worden. Om het signaal af te vlakken, kan de functie “smooth” geselecteerd worden. De volgende meting wordt verricht aan de brandstofdruksensor. Deze zit op de brandstofrail van de verstuivers van een common-rail dieselmotor (aangegeven met de rode pijl in de onderstaande afbeelding).



Het sensorsignaal van de brandstofdruk is gemeten. De scoopbeelden staan hieronder weergeven. Het linker scoopbeeld is zónder smooth-functie. Het rechter beeld is mét smooth-functie.

Afb: Normaal Afb: Smooth ingeschakeld

De smooth-functie kan als volgt worden ingesteld:

1. Druk op “SCOPE MENU”.

2. Selecteer met de pijlknoppen SMOOTH en bevestig met F4 (de Enter-toets).

3. Selecteer “SMOOTH” in plaats van “NORMAL’.
 

Op deze manier kan het signaal ook weer als “NORMAL” worden ingesteld.


Kanaal B instellen:
Bij het meten van signalen kan het vaak gewenst zijn om twee signalen ten op zichten van elkaar te meten. Dit kunnen bijvoorbeeld het nokkenassignaal en het krukassignaal dat ten op zichten van de tijd gemeten worden. Het spanningsverloop van beide sensoren wordt dan keurig onder elkaar weergeven waar men conclusies uit kan trekken met betrekking tot de timing van de distributie.

Om kanaal B in te schakelen, dient de rechter gele knop op de oscilloscoop ingedrukt te worden.
Nadat in het beeldscherm een menu is verschenen, kan met de pijltjesknoppen de juiste optie geselecteerd worden. Met de knop F4 kan de optie bevestigd worden. In het beeldscherm staat boven F4 ENTER. Via deze knop kan kanaal B ook weer uit worden geschakeld

In de onderstaande afbeeldingen is het menu te zien dat tevoorschijn komt na het indrukken van de gele knop. In het linker menu staat onder B “OFF” geselecteerd. Met de pijltjestoetsen kan deze op “ON” worden gezet. Verder dient de optie “Vdc” (gelijkspanning) geselecteerd te worden. Dit is in de rechter afbeelding te zien. Nadat elke optie met ENTER is bevestigd, zal dit menu verdwijnen en kan er met kanaal B gemeten worden.

Afb: Kanaal B uitgeschakeld Afb: Kanaal B ingeschakeld



Meten met de stroomtang:
Met de oscilloscoop kunnen alleen spanningen gemeten worden. Ook wanneer er met een stroomtang stroom gemeten wordt, zal de oscilloscoop een spanning van de stroomtang ontvangen. In deze paragraaf wordt uitgelegd hoe er met de stroomtang gemeten moet worden. Om het beter te kunnen begrijpen, zal als een voorbeeld met het meten met de multimeter worden gegeven.

De stroomtang kan ook worden gebruikt in de multimeter. In de stroomtang zit een Hall-sensor. De Hall-sensor meet het magnetisch veld dat door de meetbekken van de stroomtang loopt. Dit magnetisch veld wordt in de stroomtang omgezet in een spanning (tot 5 volt).
Daar waar bij de multimeter de interne zekering bij een stroom die hoger is dan 10 Ampère defect zal gaan, zullen met de stroomtang stromen van honderden Ampères gemeten kunnen worden. De spanning die de stroomtang doorgeeft is 100 keer kleiner dan de werkelijke stroomsterkte. Dat komt doordat er sprake is van de omrekenfactor van 10 mV/A. Dit staat ook op de stroomtang vermeld.
Let wel goed op dat de stroomtang in de eerste stand wordt gezet, dus niet op 1mV/A (omrekenfactor 1000)

Wanneer de stroomtang op de volt-aansluiting van de multimeter aan is gesloten, de stroomtang in is geschakeld en gekalibreerd totdat de multimeter 0 volt aangeeft, kan de stroomtang om de kabel van de sensor of actuator geplaatst worden. Vervolgens dient er bij het aflezen van de multimeter rekening gehouden te worden met de omrekenfactor; elke millivolt die de multimeter aangeeft is in werkelijkheid 1 Ampère.
Hierbij is het makkelijk te onthouden dat de afgelezen waarde met een factor 100 vermenigvuldigd dient te worden; wanneer er 0,25 volt in het display aan is gegeven, is de werkelijke stroomsterkte (0,25*100) =  25 Ampère.
Wanneer bij een andere meting de waarde 1,70 volt in het display staat, is de werkelijke stroomsterkte ook honderd maal hoger, dus 170 Ampère.
Kortom, de komma wordt twee plaatsen naar rechts verplaatst.

Het voorgaande voorbeeld was het meten met de multimeter, omdat het meten met de scoop dan wellicht iets makkelijker te begrijpen is. Dezelfde stroomtang kan namelijk ook op de oscilloscoop aangesloten worden. De rode en de zwarte kabels van de stroomtang dienen in kanaal A (of B) en de COM-aansluiting van de stroomtang gestoken worden. Druk vervolgens de linker gele knop op de oscilloscoop in om het menu te laten verschijnen (zie onderstaande afbeelding).



Selecteer met de pijltjestoetsen de functie “AMP” wat uiteraard een afkorting is van “Ampère”. Druk vervolgens op de F4 toets (ENTER) om de keuze te bevestigen.



Vervolgens wordt het menu “Ampere probe” getoond. Hierin staan diverse opties waar de oscilloscoop zelf de spanning van de stroomtang omrekent naar de juiste stroomsterkte. Selecteer hier 10 mV/A en bevestig de selecties met ENTER.



Op dit moment is de oscilloscoop ingesteld op Ampère. Kalibreer als eerst de stroomtang door de kalibratieknop te verdraaien, zodat de scoop 0A aangeeft.
Wanneer de stroomtang een spanning van 0,050 volt doorgeeft, zal de oscilloscoop deze waarde zelf omrekenen met de factor 100, omdat elke 10 mV in werkelijkheid 1 Ampère is. Op het display van de oscilloscoop zal nu dus 5 Ampère getoond worden.

De stroomtang is zeer snel. Met deze functie kan zelfs het stroomverloop van een injector gemeten worden. Met de tweekanaals functie van de oscilloscoop kan dan bijvoorbeeld op kanaal A het spanningsverloop en op kanaal B het stroomverloop gemeten worden. Het spannings- en stroomverloop staan netjes onder elkaar.



Scoopbeeld van een duty-cycle:
Een duty-cycle wordt gebruikt om de stroomsterkte naar een verbruiker te regelen. In de onderstaande afbeelding is een schema van een lamp zichtbaar met rechts het beeld van de oscilloscoop. In het beeld is zichtbaar dat de spanning continu in- en uitgeschakeld wordt. De spanning varieert tussen de 0 en 12 volt. Elk hokje (divisie) is 2 volt, dus zes divisies betekent dat de spanning telkens 12 volt is bij ingeschakelde verbruiker en 0 volt bij uitgeschakelde verbruiker.



De pluskabel van de oscilloscoop zit aangesloten op de plus van de lamp. De massakabel zit op de COM-aansluiting van de scoop en de massa van het voertuig aangesloten. De oscilloscoop meet, net als de multimeter, het spanningverschil tussen de plus- en minkabel. Op het moment dat de lamp ingeschakeld is, staat er een spanning van 12 volt op de plusaansluiting van de lamp. De massa is altijd 0 volt, dus bij ingeschakelde lamp is het spanningsverschil 12 volt. In het scoopbeeld is dat te zien aan de hoge lijn waar "aan" staat.
Wanneer de lamp uitgeschakeld is, zal het spanningsverschil 0 volt zijn. Zowel de plus- als de minkabel zullen dan namelijk 0 volt meten. In het scherm van de oscilloscoop zal dit ook zichtbaar zijn aan de lijn die gelijk aan het streepje van de nullijn ligt. In de bovenstaande afbeelding staat bij dit gedeelte ook "uit" vermeld.

Bij het meten van de duty-cycle dient rekening gehouden worden met het feit of de verbruiker plusgeschakeld of massageschakeld is. Het scoopbeeld zal daarbij andersom zijn. Voor meer informatie, zie de pagina Duty-cycle.

 

Scoopbeeld van een krukas- en nokkenassignaal:
Met de oscilloscoop kunnen ook meerdere componenten, in hetzelfde tijdbestek, ten op zichten van elkaar gemeten worden. Hiermee kan worden gecontroleerd of dat sensoren op het goede moment een signaal geven. Een voorbeeld is in het onderstaande scoopbeeld te zien, waarbij het krukassignaal met het nokkenassignaal vergeleken wordt:



Door deze twee signalen met elkaar te vergelijken, kan er gecontroleerd worden of de timing van de distributie nog in orde is. Meer uitleg over deze signalen is te vinden op de pagina Krukaspositiesensor.



Scoopbeeld van een injector van een indirect ingespoten benzinemotor:
Bij een actuator, zoals een brandstofinjector, kunnen het stroomverloop en het spanningverloop onder elkaar weergeven worden. In het onderstaande scoopbeeld is het stroomsignaal geel, en het spanningssignaal rood weergeven. Bij het tijdstip 0.00 seconden wordt de injector door de ECU aangestuurd. De spanning daalt dan van 14 volt naar 0 volt. De injector wordt dus aan massa gelegd. Op dat moment gaat er een stroom lopen; de gele lijn gaat stijgen. Bij het tijdstip 1,00 ms is de stroom hoog genoeg om de injectornaald van zijn zitting te lichten; de injector opent en de brandstof wordt ingespoten. De injector wordt daarbij nog steeds aangestuurd.
Op het tijdstip 2.4 ms stopt de aansturing door de ECU. De rode lijn stijgt naar 52 volt. Dit is de inductie die plaatsvindt doordat de spoel geladen is. Vanaf dat punt nemen zowel de spanning als de stroom af. Bij het tijdstip 3,00 ms is een hobbeltje te zien in het spanningsbeeld. Op dit punt sluit de injectornaald. Hierbij is de inspuiting beëindigd.



In het scoopbeeld is dus de daadwerkelijke injectietijd terug te zien. De injectie start en eindigt dus niet tussen 0,00 en 2,4 ms, maar tussen 1,00 en 3,00 ms. Dat heeft te maken met de massatraagheid van de injectienaald. Dit is een mechanisch onderdeel, waarbij de naald tegen de veerkracht in bewogen moet worden. Bij het sluiten duurt het ook 0,6 ms voordat de injectornaald door de veer weer terug op zijn zitting gedrukt is.
Met behulp van dit scoopbeeld kan herkend worden of dat de injector nog opent en sluit. Bij een ernstig vervuilde of defecte injector zijn er geen hobbels in het spannings- en stroomsignaal te zien. Als deze twee punten vlak zijn is de aansturing wel in orde, maar vindt er geen mechanische beweging van de injectornaald plaats. Daarmee kan dus worden uitgesloten dat de aansturing of de bedrading defect is en kan men zich concentreren op de injector.

In het onderstaande scoopbeeld zijn vier injectorbeelden onder elkaar weergeven. Het rode injectorbeeld is van cilinder 1, de gele van cilinder 2, de groene van cilinder 3 en de blauwe van cilinder 4. Door deze onder elkaar te plaatsen is de ontstekingsvolgorde van een viercilinder motor (1-3-4-2) te zien.





Scoopbeeld van een injector van een common-rail dieselmotor:
In het onderstaande scoopbeeld zijn het spanning- en stroomverloop van een injector van een common-rail dieselmotor te zien. Er vinden twee inspuitingen achter elkaar plaats, namelijk de voorinspuiting en de hoofdinspuiting.
Bij het inschakelen van de injector (bij de voorinspuiting) wordt deze heel kort met een spanning van 70 volt aangestuurd. De hoge spanning kan worden bereikt dankzij een condensator in de ECU. Er loopt op dat moment een stroom die oploopt tot 20 ampère. Met deze hoge spanning en hoge stroom wordt de injectornaald zeer snel geopend. Vervolgens wordt de spanning begrenst en op 14 volt gehouden. De stroom wordt daarbij maximaal 12 ampère. Dat is voldoende om de injectornaald open te houden. De spanning- en stroombegrenzing is nodig om de warmteontwikkeling in de spoel zo laag mogelijk te houden. De aansturing stopt op het tijdstip 1,00 ms. De injectornaald sluit. Daarmee is de voorinspuiting beëindigd.
Op het tijdstip 4,3 ms vindt de hoofdinspuiting plaats. De spanning loopt daarbij opnieuw op tot 65 volt en er gaat weer een stroom lopen die oploopt tot 20 ampère. De inspuiting begint.
Vervolgens vindt er weer een spanning- en stroombegrenzing plaats tussen 4,60 en 5,1 ms. Hierbij wordt de injectornaald open gehouden. De hoeveelheid ingespoten brandstof kan geregeld worden door de injector langer aan te sturen.





Scoopbeeld van een bobine:
Als voorbeeld nemen we een ontstekingssignaal. De plus (meetkabel A) wordt aangesloten op de aanstuurdraad (op de stekker) van de bobine. De massa (zwarte aansluiting in het midden) wordt aangesloten op een massapunt van de auto. De motor kan gestart worden, waarop het scoopsignaal gaat lopen. Nu is het de kunst om de juiste tijd- en spanningsinstellingen te vinden. Dit kan ook met de knop "Auto". De scoop zoekt dan zelf een goed beeld. Dat lukt echter niet altijd, dus het is handig om zelf handmatig de scoop in te kunnen stellen.
Hieronder wordt het ontstekingssignaal afgebeeld. Het linker beeld is van een stationair draaiende motor en het rechter beeld is van de zelfde motor maar dan met een hoger toerental. Je ziet dat het signaal hetzelfde blijft, maar dat de tijd tussen de signalen steeds kleiner wordt.

Er kan zo per bobine gekeken worden of het signaal het zelfde is en of de signalen elkaar netjes opvolgen. Wanneer er een defect aan de bobine is, kan dit in het scoopbeeld worden gezien. Het linker signaal wordt hieronder uitvergroot.


(Afb. Links: stationair draaiende motor. Rechts: dezelfde motor met een hoger toerental).
 


(Afb. van de ontsteking uitvergroot).

In de bovenstaande afbeelding is te zien wat er allemaal af te lezen is van een bobinesignaal. Er zijn nu 2 signalen na elkaar. Onder het hokje bij "B" staat een zwarte streep. Dat is de nullijn. Vanaf daar begint de spanning omhoog te lopen. Bij zowel de kanalen A als B is de spanning ingesteld op 20 V per divisie. Dat wil zeggen, elk hokje is 20 Volt. Omdat de lijn iets hoger als de helft van 1 hokje is, kan de spanning op 14 volt geschat worden. Om dat exact te weten, kun je er voor kiezen om bijv. 5 V per divisie in te stellen. Je zoomt dan erg ver in op het signaal. De rest valt dan weg, maar het deel wat je wilt weten is dan zichtbaar. Dat betreft de voltage op de Y-as.

Op de X-as (de horizontale) staat een tijd van 5ms (5 milliseconden) per divisie ingesteld. Elk hokje is hier 5ms, dus van het begin van het eerste signaal naar het begin van het 2e signaal, is 7 hokjes. Vermenigvuldigd met 5 maakt 35ms. Dus na elke 35ms komt er een nieuwe vonk van de bougie.

 

Scoopbeeld van een afstandbediening:
Dit is een signaal van een radiografische afstandbediening, welke met een speciale ontvanger omgezet is naar een blokspanning. Het afgebeelde signaal is eigenlijk de code die de afstandbediening naar de auto verzend. De scope is ingesteld op 1 Volt per divisie. In totaal is het signaal 4,5 hokjes hoog, dus 4,5 volt (dat is dus de spanning van de batterij). De blokspanning (in de horizontale richting) maakt de code.





 











Scoopbeeld van het nadenderen van een relais:
Dit signaal is afkomstig van een relais. Bij het trigger-teken stijgt de spanning tot iets onder de 6,5 volt. In het begin is een lichte schommeling in de spanning te zien. Dit is het nadenderen van het "schakelarmpje" in het relais. Doordat dit een mechanisch onderdeel is dat beweegt, heeft het een bepaalde massatraagheid. Deze massatraagheid zorgt ervoor dat het armpje van het relais niet gelijk stil staat en iets natrilt. Dit is te zien in het scoopbeeld.




Scoopbeeld van het inschakelen van een lamp:
Wanneer een verbruiker plotseling ingeschakeld wordt, ontstaat er een inductiespanning. Componenten die daar niet tegen kunnen (zoals een regeleenheid) wordt beschermd met condensatoren en zenerdiodes. Bij een lamp is dat echter niet nodig en is de inductie gewoon aanwezig. Dat is in dit scoopbeeld goed te zien. De inductie is duidelijk te zien op het moment wanneer de lamp ingeschakeld wordt. De inductie heeft een piek van 10 Volt. Daarna vlakt de spanning af naar 4 Volt. Na iets meer dan 600ms schakelt de lamp weer uit.




Scoopbeeld van een pingelsensor:
Wanneer de motor de neiging krijgt om te gaan detoneren (pingelen) geeft de pingelsensor een signaal naar de ECU om het ontstekingstijdstip te verlaten. Het signaal ziet er uit als op de afbeelding hieronder.














Dit signaal kan gecontroleerd worden als er twijfel is of de pingelsensor nog werkt. Wanneer deze bij montage veel te vast is gezet (een pingelsensor moet altijd met de juiste kracht vastgezet worden), of als de sensor is gevallen, kan het zijn dat het signaal niet meer aanwezig is. Het piëzo-element is defect en er wordt dan geen spanningssignaal meer gemaakt. Door een meting met een oscilloscoop wordt dit snel duidelijk.

Zie ook de pagina's Meetinstrumenten, Meten met de multimeter en Breakout box.
Er kunnen ook metingen aan de CAN bus verricht worden. Zie daar voor de pagina Meten aan het CAN bussysteem.