Clandestiene verbruiker:


Op deze pagina worden de volgende onderdelen beschreven:
-Clandestiene verbruiker
-Meet de ruststroom (stap 1)
-Trek één voor één de zekeringen uit de zekeringenkast (stap 2)
-Het elektronica schema raadplegen (stap 3)
-Het probleem verhelpen (stap 4)



Clandestiene verbruiker:

Een clandestiene verbruiker is een ongewenste verbruiker die de accu leeg trekt. Bij een geparkeerde auto zal de clandestiene verbruiker ingeschakeld blijven. Dit kan bijvoorbeeld achteraf ingebouwde accessoires zijn, zoals een radio of een carkit. Maar ook een regelapparaat of een defect relais kan zorgen dat er een verbruiker ingeschakeld blijft. In dat geval zal de ruststroom te hoog zijn.

De ruststroom bij een geparkeerde auto mag maximaal 40mA (0,04 Ampère) zijn. Er loopt altijd een kleine ruststroom om o.a. het alarmsysteem van stroom te voorzien. Deze ruststroom is echter zo laag, dat de auto na een paar weken stilstand gewoon weer gestart kan worden zonder dat de accu in de tussentijd leeg is geraakt. Wanneer de ruststroom te hoog is, kan de accu binnen enkele uren al leeg zijn.

Wanneer de conditie van de accu in orde is, maar de accu elke ochtend leeg is, kan er het beste een ruststroommeting uitgevoerd worden. Om de ruststroom te meten, kan de multimeter tussen de massakabel van het voertuig en de minpool van de accu geplaatst worden. De multimeter dient in de stand Ampère gezet te worden. Echter, met deze meting wordt de totale stroom door de gehele elektrische installatie van het voertuig gemeten. Wanneer de stroom hoger is dan 10 Ampère, zal bij de meeste multimeters de interne zekering defect raken. Het is veiliger om de meting met de stroomtang uit te voeren.

In de onderstaande paragrafen is een stappenplan beschreven hoe een clandestiene verbruiker opgespoord kan worden, en worden er tips gegeven om de storing op te lossen.



Meet de ruststroom (stap 1):
Hang de stroomtang om de massakabel van de accu en stel de multimeter goed in. Lees de waarde van de multimeter af.
Zie de pagina Meten met de multimeter voor meer informatie over het instellen en meten met de stroomtang wanneer je daar moeite mee hebt.





Trek één voor één de zekeringen uit de zekeringenkast (stap 2):
Bij een verhoogde ruststroom is er sprake van lekstroom. Wanneer er een verhoogde ruststroom wordt weergeven in het display van de multimeter, dienen één voor één de zekeringen uit de zekeringenkast getrokken te worden. Kijk bij elke uitgetrokken zekering of dat de ruststroom is gedaald. Zoniet, plaats dan de zekering weer in de goede positie terug.
Daalt bij een bepaalde zekering de ruststroom naar bijna 0 Ampère, dan heb je de zekering van de clandestiene verbruiker gevonden.

In dit voorbeeld is het zekering 8 waarbij de ruststroom daalt (zie onderstaande afbeelding).




Het elektronica schema raadplegen (stap 3):
Nu we weten dat bij zekering 8 de ruststroom van 10 A naar bijna 0 A is gedaald, is de volgende stap het raadplegen van het elektronica schema. In het schema kan herleid worden welk component de verhoogde ruststroom veroorzaakt.

In het onderstaande schema is links F8 afgebeeld. F8 staat voor zekering 8; dit is de zekering die uit de zekeringenkast getrokken was, waarbij de ruststroom daalde.
Vanaf F8 loopt er een lijn naar klem 30 van het relais van de brandstofpomp. Klem 30 is de ingang hoofdstroom. Omdat er een hoofdstroom loopt (van klem 30 naar 87) wordt de brandstofpomp (componentcode A2) van spanning en stroom voorzien. De brandstofpomp blijft dus ingeschakeld.



Nu in dit voorbeeld bekend is dat de brandstofpomp blijft draaien terwijl de auto geparkeerd staat, is de volgende stap het controleren van de stuurstroom. Wanneer er een stuurstroom loopt (van klem 86 naar klem 85) is het logisch dat er een hoofdstroom loopt. Hier is het regelapparaat verantwoordelijk voor.
Indien er geen stuurstroom loopt, is er een defect aan het relais. Het schakelarmpje tussen klem 30 en 87 blijft in dat geval hangen.


Het probleem verhelpen (stap 4):
Wanneer de oorzaak gevonden is, dient het probleem verholpen te worden. Zit het probleem in de aansturing, controleer dan of het regelapparaat wel correct in- en uitschakelt. Werkt het regelapparaat naar behoren, dan is er wellicht een kortsluiting in de bekabeling aanwezig. Echter, is de aansturing goed en is er geen stuurstroom aanwezig, dan zal waarschijnlijk het schakelarmpje in het relais blijven hangen. Om dat uit te sluiten, kunnen de spanningen op klem 85, 86, 87 en 30 worden gemeten. Op de pagina Relais wordt uitgelegd wat deze spanningen horen te zijn bij in- en uitgeschakeld relais.